Beenvissen en ongewervelden in koud zeewater
Aquarium in de Antwerpse Zoo
1 ‘Atlantische
Oceaan’
Ruiten 1 + 2 + 3;
± 13 °C; ± 30 m3 (dus ± 30 000 liter water).
Zeepaling (Conger conger);
le congre; conger eel; Meeraal.

Rotskust (1 m tot 100 m diep) van oostelijke Atlantische
Oceaan, Middellandse Zee, Westelijke Stille Oceaan en Indische Oceaan.
Dikwijls bij scheepswrakken. Nachtdier dat jaagt op
vissen, kreeftachtigen en inktvissen. Plundert kreeftenfuiken. ♀ (tot 3
m lang) is groter dan ♂. Kan max. 110 kg
wegen (gewoonlijk ± 65 kg) en 15 jaar oud worden. Heeft geen schubbenkleed, wel
rudimentaire schubzakjes.
Komt nooit voor in zoet water. Paaigronden waarschijnlijk
op 3000 à 4000 m diep tussen Gibraltar en de Azoren en in de Sargassozee. Als
ze geslachtsrijp zijn, eten ze niet meer en degenereren hun organen, behalve de
voortplantingsorganen. Na de eiafzetting sterven de volwassen dieren.
De eerste larve heeft een wilgenbladvorm (‘Leptocephalus’) en zal na 1 à 2 jaar de
gewone aalvorm krijgen. De larven leven in de middelste en bovenste waterlagen.
Paling of aal (Anguilla anguilla); l’anguille (f.);
eel; Aal.

Europa, Noord-Afrika en Atlantische Oceaan.
Paaien in de Sargasso Zee. Het ♂
(≤ 40 cm) blijft altijd in zeewater, het ♀ (≤ 100 cm) trekt naar zoet water. Belangrijkste
zintuigen: reukslijmvlies en zijlijn. Palingen kunnen ± goed tegen
watervervuiling. De Sargasso
Zee (± de oppervlakte van Australië) ligt in de Atlantische Oceaan tussen
Bermuda en de Bahamas, ter hoogte van Florida. (Sargasso is Portugees voor wier.) Bessenwieren drijven vrij
aan het wateroppervlak. Ze hebben het uitzicht van een tak met bladeren; de
‘bessen’ zijn in werkelijkheid drijfblazen. (In de zoo staan ze, opgesteld
tussen glazen platen, in Vriesland net voor het ‘voedsel’ van de zeeotters.)
Europese palingen leggen 4 000 à 5 000 km af in ongeveer 1,5 jaar. Na de eileg in maart/april sterven ze op de paaiplaatsen. De
larfjes lijken op wilgenbladeren. Ze eten plankton en laten zich meevoeren met
de Golfstroom. In oktober van hun derde levensjaar bereiken ze de Spaanse en
Ierse kust. Die ‘glasaaltjes’ zijn ± 7 cm groot. In maart en april bereiken ze
de Noordzee en bv. ook het Zwin. De ♀♀ trekken ‘s nachts naar de bovenloop van de rivieren; de ♂♂ blijven in
de riviermonden, waar het mengwater voldoende zout is.
Het voedsel bestaat uit insectenlarven, kleine schelpdieren, slakjes en
wormen. Later worden ook visjes gepakt. Na 5 jaar wegen de ♂♂ 140 à 170 g
en zijn ze maximaal 0,5 m lang. De ♀♀ kunnen dan al 6 kg wegen en tot 1,5 m groot zijn. In zoet water krijgen ze
een olijfgroene rug, terwijl flanken en buik geelachtig gekleurd zijn. Na 7
jaar verblijf in zoet water worden ronde beenschubjes gevormd.
Na 9 tot 15 jaar zoetwaterleven wordt de palingrug zwart, terwijl flanken
en buik een zilverwitte glans krijgen. De dieren zijn sterk gespierd en hebben
belangrijke vetreserves aangelegd. Die ‘schieralen’ (spitse kop) eten niet
meer. Ze trekken in nazomer en herfst naar de Sargassozee.
Tijdens die tocht komen hun voortplantingsorganen tot volle ontwikkeling, maar
pas ter plekke wordt gepaaid.
In 1837 werden ♂♂ als zodanig herkend; daarvoor dacht men dat de ♀♀ zich parthenogenetisch voortplantten!
Grootkopharder (Mugil cephalus);
le mulet à grosse tête; flathead mullet; Groszkoph-Meeräsche.

Cosmopoliet. Verdraagt zoet water. Brede kop met
horizontale bek en grote kieuwzeef; slikt modder en verteert planten en dieren
die zich daarin bevinden. Aangepaste maag met een bijzonder dikke gespierde
wand.
Eet plankton, slakken en andere ongewervelden tussen
zeewier, ook planten. De jongen eten plankton en plantenresten.
Grote schubben. De eerste van de twee rugvinnen heeft vier harde vinsstralen.
Zeebaars (Dicentrarchus
labrax); le bar (‘Nord’) ou le loup de mer (‘Midi’); bass; Seebarsch oder
Wolfsbarsch.

Kusten van Atlantische Oceaan van Zuid-IJsland tot Noord-Afrika,
Noordzee en Oosterschelde, Middellandse Zee, Zwarte Zee. Leeft in kleine
scholen en jaagt op vis.
Kenmerken: schubben veel kleiner dan van harder, 1ste
rugvin met stijve vinstralen, 2de met zachte.
Bij opwinding wordt de eerste rugvin opgericht.
Goudbrasem (Sparus auratus);
la dorade royale; gilthead seabream; Goldbrasse.

Begroeide, rotsachtige kust en zeegrasvelden, vnl. in de
Middellandse Zee en aan de noordoostelijke kust van de Atlantische Oceaan van Denemarken tot
Noord-Afrika. Ook in brak water van voedselrijke lagunes.
Kenmerken: hoog lichaam, 1 rugvin (hardstralig en
zachtstralig deel), aarsvin met harde en zachte vinstralen, ruwe schubben,
brede gouden band op voorhoofd tussen de ogen, grote zwarte vlek boven het
kieuwdeksel. Wordt max. 60 cm groot en 4 kg zwaar.
Leeft van enkele meter tot 150 m diep. Bij koude zoekt hij
dieper water op. Heeft 3 tot 5 rijen maaltanden waarmee hij makkelijk schelpen
kan verbrijzelen. Plundert oester- en mosselbanken. Wordt veel gekweekt.
Kabeljauw (Gadus morrhua);
la morue; cod; Kabeljau.

Noordatlantische Oceaan, Barentszzee, IJsland, Groenland,
Newfoundland, Noordzee en Oostzee.
Leeft meestal op de bodem (tot 600 m. diep) en in open
zee. Voedsel: kreeftachtigen, weekdieren en wormen; later ook vis bv. haring en
zandspiering. (Een jonge kabeljauw wordt ook wel ‘Gul’ genoemd.)
Soortkenmerken: bovenkaak reikt verder dan onderkaak,
duidelijke zijlijn en grote kindraad (tastfunctie).
De invloed van de opwarming van de aarde kan hier
duidelijk in relatie gebracht worden met de voortplanting van de kabeljauw. Het
paaien lukt maar goed bij een watertemperatuur van 4–6 °C.
De eitjes moeten 2 à 4 weken net onder het wateroppervlak
blijven. Wordt het water minder zout, bv. door smelten van ijs, dan daalt de
dichtheid van dat water: de eitjes zinken en sterven.
Pollak (Pollachius
pollachius); le lieu jaune; green pollack; Steinköhler.

Kust van Noorwegen, oostelijke Atlantische Oceaan van
Zuid-IJsland tot Noord-Afrika, Noordzee.
Eet vis en kreeftachtigen, dikwijls in de omgeving van
boorplatformen en scheepswrakken.
Soortkenmerken: onderkaak steekt voorbij bovenkaak, geen
kindraad, zwarte zijlijn.
Gevlekte
lipvis (Labrus bergylta); la grande vieille, ballan wrasse, gefleckter
Lippfisch.

Vooral in poeltjes en inhammen van de wierzone bij
rotskusten van de oostelijke Atlantische Oceaan. Vanaf de zuidkust van
Scandinavië tot de noordkust van Afrika. Niet in de Middellandse Zee.
Op de kaken staat 1 rij grote tanden met daarachter
kleinere. De keeltanden worden gebruikt voor het kraken van week- en
schelpdieren. Eet hoofdzakelijk vlokreeften, zeepokken, keverslakken, wormen en
borstelwormen.
Paaitijd: juni. Bouwt nesten van wier, samengehouden door
slijm. Het ♂ bewaakt het nest.
Na 1–3 weken komen de larven uit de eitjes. De
groenige larven zijn goed gecamoufleerd tussen het zeewier. Zij maken een lange
ontwikkeling door in ondiep water (plankton). Alle larven ontwikkelen tot ♀♀. Na 6 jaar zijn ze geslachtsrijp. Na minstens 4 paaiseizoenen veranderen
sommige ♀♀ in ♂♂. Welke prikkel speelt daarbij een rol? Dat weet men niet.
Bonte
lipvis of koekoekslipvis (Labrus mixtus);
la coquette; cuckoo wrasse; bunter Lippfisch.

Rotskust van de noordwestelijke Atlantische Oceaan en de
Middellandse zee.
Geslachtsdimorfisme: ♂ meer blauw gekleurd.
Schol (Pleuronectes
platessa); une plie (Oud-Frans: pladisse); plaice; Scholle oder Goldbutt.
