Beenvissen en ongewervelden in koud zeewater

 

Aquarium in de Antwerpse Zoo

 

1 ‘Atlantische Oceaan’

 

Ruiten 1 + 2 + 3; ± 13 °C; ± 30 m3 (dus ± 30 000 liter water).

 

Zeepaling (Conger conger); le congre; conger eel; Meeraal.

 

 

 

Rotskust (1 m tot 100 m diep) van oostelijke Atlantische Oceaan, Middellandse Zee, Westelijke Stille Oceaan en Indische Oceaan.

Dikwijls bij scheepswrakken. Nachtdier dat jaagt op vissen, kreeftachtigen en inktvissen. Plundert kreeftenfuiken. (tot 3 m lang) is groter dan . Kan max. 110 kg wegen (gewoonlijk ± 65 kg) en 15 jaar oud worden. Heeft geen schubbenkleed, wel rudimentaire schubzakjes.

Komt nooit voor in zoet water. Paaigronden waarschijnlijk op 3000 à 4000 m diep tussen Gibraltar en de Azoren en in de Sargassozee. Als ze geslachtsrijp zijn, eten ze niet meer en degenereren hun organen, behalve de voortplantingsorganen. Na de eiafzetting sterven de volwassen dieren.

De eerste larve heeft een wilgenbladvorm (‘Leptocephalus’) en zal na 1 à 2 jaar de gewone aalvorm krijgen. De larven leven in de middelste en bovenste waterlagen.

 

Paling of aal (Anguilla anguilla); l’anguille (f.); eel; Aal.

 

 

Europa, Noord-Afrika en Atlantische Oceaan.

Paaien in de Sargasso Zee. Het (≤ 40 cm) blijft altijd in zeewater, het (≤ 100 cm) trekt naar zoet water. Belangrijkste zintuigen: reukslijmvlies en zijlijn. Palingen kunnen ± goed tegen watervervuiling. De Sargasso Zee (± de oppervlakte van Australië) ligt in de Atlantische Oceaan tussen Bermuda en de Bahamas, ter hoogte van Florida. (Sargasso is Portugees voor wier.) Bessenwieren drijven vrij aan het wateroppervlak. Ze hebben het uitzicht van een tak met bladeren; de ‘bessen’ zijn in werkelijkheid drijfblazen. (In de zoo staan ze, opgesteld tussen glazen platen, in Vriesland net voor het ‘voedsel’ van de zeeotters.)

 

Europese palingen leggen 4 000 à 5 000 km af in ongeveer 1,5 jaar. Na de eileg in maart/april sterven ze op de paaiplaatsen. De larfjes lijken op wilgenbladeren. Ze eten plankton en laten zich meevoeren met de Golfstroom. In oktober van hun derde levensjaar bereiken ze de Spaanse en Ierse kust. Die ‘glasaaltjes’ zijn ± 7 cm groot. In maart en april bereiken ze de Noordzee en bv. ook het Zwin. De ♀♀ trekken ‘s nachts naar de bovenloop van de rivieren; de ♂♂ blijven in de riviermonden, waar het mengwater voldoende zout is.

Het voedsel bestaat uit insectenlarven, kleine schelpdieren, slakjes en wormen. Later worden ook visjes gepakt. Na 5 jaar wegen de ♂♂ 140 à 170 g en zijn ze maximaal 0,5 m lang. De ♀♀ kunnen dan al 6 kg wegen en tot 1,5 m groot zijn. In zoet water krijgen ze een olijfgroene rug, terwijl flanken en buik geelachtig gekleurd zijn. Na 7 jaar verblijf in zoet water worden ronde beenschubjes gevormd.

Na 9 tot 15 jaar zoetwaterleven wordt de palingrug zwart, terwijl flanken en buik een zilverwitte glans krijgen. De dieren zijn sterk gespierd en hebben belangrijke vetreserves aangelegd. Die ‘schieralen’ (spitse kop) eten niet meer. Ze trekken in nazomer en herfst naar de Sargassozee. Tijdens die tocht komen hun voortplantingsorganen tot volle ontwikkeling, maar pas ter plekke wordt gepaaid.

In 1837 werden ♂♂ als zodanig herkend; daarvoor dacht men dat de ♀♀ zich parthenogenetisch voortplantten!

 

Grootkopharder (Mugil cephalus); le mulet à grosse tête; flathead mullet; Groszkoph-Meeräsche.

 

 

Cosmopoliet. Verdraagt zoet water. Brede kop met horizontale bek en grote kieuwzeef; slikt modder en verteert planten en dieren die zich daarin bevinden. Aangepaste maag met een bijzonder dikke gespierde wand.

Eet plankton, slakken en andere ongewervelden tussen zeewier, ook planten. De jongen eten plankton en plantenresten.

Grote schubben. De eerste van de twee rugvinnen heeft vier harde vinsstralen.

 

Zeebaars (Dicentrarchus labrax); le bar (‘Nord’) ou le loup de mer (‘Midi’); bass; Seebarsch oder Wolfsbarsch.

 

Kusten van Atlantische  Oceaan van Zuid-IJsland tot Noord-Afrika, Noordzee en Oosterschelde, Middellandse Zee, Zwarte Zee. Leeft in kleine scholen en jaagt op vis.

Kenmerken: schubben veel kleiner dan van harder, 1ste rugvin met stijve vinstralen, 2de met zachte.

Bij opwinding wordt de eerste rugvin opgericht.

 

Goudbrasem (Sparus auratus); la dorade royale; gilthead seabream; Goldbrasse.

 

 

Begroeide, rotsachtige kust en zeegrasvelden, vnl. in de Middellandse Zee en aan de noordoostelijke kust van de Atlantische Oceaan van Denemarken tot Noord-Afrika. Ook in brak water van voedselrijke lagunes.

Kenmerken: hoog lichaam, 1 rugvin (hardstralig en zachtstralig deel), aarsvin met harde en zachte vinstralen, ruwe schubben, brede gouden band op voorhoofd tussen de ogen, grote zwarte vlek boven het kieuwdeksel. Wordt max. 60 cm groot en 4 kg zwaar.

Leeft van enkele meter tot 150 m diep. Bij koude zoekt hij dieper water op. Heeft 3 tot 5 rijen maaltanden waarmee hij makkelijk schelpen kan verbrijzelen. Plundert oester- en mosselbanken. Wordt veel gekweekt.

 

Kabeljauw (Gadus morrhua); la morue; cod; Kabeljau.

 

Noordatlantische Oceaan, Barentszzee, IJsland, Groenland, Newfoundland, Noordzee en Oostzee.

Leeft meestal op de bodem (tot 600 m. diep) en in open zee. Voedsel: kreeftachtigen, weekdieren en wormen; later ook vis bv. haring en zandspiering. (Een jonge kabeljauw wordt ook wel ‘Gul’ genoemd.)

Soortkenmerken: bovenkaak reikt verder dan onderkaak, duidelijke zijlijn en grote kindraad (tastfunctie).

De invloed van de opwarming van de aarde kan hier duidelijk in relatie gebracht worden met de voortplanting van de kabeljauw. Het paaien lukt maar goed bij een watertemperatuur van 4–6 °C.

De eitjes moeten 2 à 4 weken net onder het wateroppervlak blijven. Wordt het water minder zout, bv. door smelten van ijs, dan daalt de dichtheid van dat water: de eitjes zinken en sterven.

 

Pollak (Pollachius pollachius); le lieu jaune; green pollack; Steinköhler.

 

 

 

Kust van Noorwegen, oostelijke Atlantische Oceaan van Zuid-IJsland tot Noord-Afrika, Noordzee.

Eet vis en kreeftachtigen, dikwijls in de omgeving van boorplatformen en scheepswrakken.

Soortkenmerken: onderkaak steekt voorbij bovenkaak, geen kindraad, zwarte zijlijn.

 

Gevlekte lipvis (Labrus bergylta); la grande vieille, ballan wrasse, gefleckter Lippfisch.

 

 

Vooral in poeltjes en inhammen van de wierzone bij rotskusten van de oostelijke Atlantische Oceaan. Vanaf de zuidkust van Scandinavië tot de noordkust van Afrika. Niet in de Middellandse Zee.

Op de kaken staat 1 rij grote tanden met daarachter kleinere. De keeltanden worden gebruikt voor het kraken van week- en schelpdieren. Eet hoofdzakelijk vlokreeften, zeepokken, keverslakken, wormen en borstelwormen.

Paaitijd: juni. Bouwt nesten van wier, samengehouden door slijm. Het bewaakt het nest.

Na 1–3 weken komen de larven uit de eitjes. De groenige larven zijn goed gecamoufleerd tussen het zeewier. Zij maken een lange ontwikkeling door in ondiep water (plankton). Alle larven ontwikkelen tot ♀♀. Na 6 jaar zijn ze geslachtsrijp. Na minstens 4 paaiseizoenen veranderen sommige ♀♀ in ♂♂. Welke prikkel speelt daarbij een rol? Dat weet men niet.   

 

Bonte lipvis of koekoekslipvis (Labrus mixtus); la coquette; cuckoo wrasse; bunter Lippfisch.

 

 

Rotskust van de noordwestelijke Atlantische Oceaan en de Middellandse zee.

Geslachtsdimorfisme: meer blauw gekleurd.

 

Schol (Pleuronectes platessa); une plie (Oud-Frans: pladisse); plaice; Scholle oder Goldbutt.

 

Net zoals tarbot, tong, bot en en schar is de schol een platvis.

Bij roggen ‘plakt’ de rug tegen de buik. Platvissen echter zijn zijwaarts afgeplat: zij hebben een hoge rug en een vooruitstekende buik. Zij liggen op hun zij en zwemmen overwegend met golve  nde bewegingen van de zeer sterk ontwikkelde rug- en aarsvin. De kant met de ogen ligt altijd naar boven en is sterk gepigmenteerd (snel aanpasbaar aan de kleuren van de bodem). Aan het naar onderen uitstekende buikvinnetje kan je makkelijk zien welke de buikzijde is.

 

De schol komt voor aan de zandbodems en gemengde zand/rotsbodems van de noordoostelijke Atlantische Oceaan, van de zuidkust van Groenland over IJsland tot aan de noordzijde van de Middellandse Zee (± tot Marseille); ook frequent in Noordzee en Oostzee. Hij is nachtactief en jaagt op bodemdieren: borstelwormen, kreeftachtigen en schelpdieren. 

 

De eieren van de meeste soorten bevatten oliedruppeltjes, waardoor zij blijven zweven in de waterlaag van dezelfde dichtheid. (Zij zouden zinken als het zoutgehalte te laag is: de larven sterven dan.)

De 6 mm grote larven zijn tweezijdig symmetrisch en voeden zich met zoöplankton. Na 1–2 maanden begint hun metamorfose. Als ze 13 mm lang zijn is een oog ‘verhuisd’ naar de andere kant en krijgen ze hun afgeplatte vorm.  De zwemblaas reduceert volledig.

 

Tarbot (Psetta maxima syn. Scophthalmus maximus); le turbot ; turbot; Steinbutt.

 

 

Leeft op zandige en rotsige bodem van de noordoostelijke Atlantische Oceaan, Noordzee, Oostzee, Middellandse Zee en Zwarte Zee. Jaagt op bodemvissen, grotere kreeftachtigen en weekdieren.

De ogen liggen aan  de linkerzijde. Die is grijsgekleurd met vlekken, of gemarmerd, en met vele schildvormige, benige knobbels bezet. Die kant heeft geen eigenlijke schubben.

Het lichaam is bijna cirkelrond en de staartsteel is zeer kort.

 

Schar (Limanda limanda); la limande; dab; Kliesche oder Scharbe.

 

Leeft op zand- en modderbodems van de Scandinavische kusten, rond Groot-Brittannië en Ierland, in Noordzee en Oostzee. Jaagt op weekdieren, wormen, slangsterren, zee-egels, zandspiering en grondels.

De kleur van hun rechterkant varieert van geelachtig grijs tot geelbruin; dikwijls vage geelrode, donker omrande vlekken. Ruw aanvoelende huid. De zijlijn maakt een grote bocht boven de borstvin.

 

Bot (Platichthys flesus); le flet; flounder; Flunder.

 

 

Zand- en slikbodems van de noordoostelijke Atlantische Oceaan, Noordzee, Oostzee, Zwarte Zee en de Eurpese kusten van de Middellandse Zee.

Nachtactief. Jaagt tot in getijdenzones op wormen, vlokreeften, garnalen en schelpdieren. Kan in brak en zelfs in zoet water  jagen op bv. muggenlarven.

De ogenzijde is  grijs met donkere vlekken. De ligzijde is wit gekleurd, dikwijls zwart gespikkeld.

2/3 van de botten liggen op hun linkerzij. Het lichaam is bedekt met knobbelige stekels die het talrijkst zijn langs de rug- en aarsvin. Geen knobbelrichel achter de ogen. De zijlijn maakt een zwakke bocht boven de borstvin.

 

Rode poon (Chelidonichthys lucerna, syn. Trigla lucerna); le grondin rouge ou le grondin perlon (grogner = knorren); the gurnhard; der rote Knurrhahn oder Seeschwalbe.

 

Oostkust van d  e Atlantische Oceaan, Noordzee, Middellandse Zee en Zwarte Zee.

Drie onderste borstvinstralen vrij (‘vingers’). Die zorgen voor het ‘lopen’ over de bodem en voor het opsporen van prooien: tastzin en smaakzin. Ze sporen er bodemvissen en ingegraven ongewervelden mee op. Verder jagen zij – als behendige zwemmers – op sprot, sardien en visbroed.

Duidelijke blauwe aftekening rondom de borstvinnen.

Ze hebben een puntige stekel boven de borstvin: een gevaar voor wie de vis schoonmaakt.

Spiertjes rond de zwemblaas laten die vibreren: ‘knorhaan’. Dat zou met communicatie te maken hebben?!

 

Eetbare zeeappel (Echinus esculentus); l’oursin (m.) comestible; common sea-urchin; eßbarer Seeigel.

 

 

Hoort bij de stam van de stekelhuidigen, die exclusief beschikken over een watervaatstelsel. Bij zee-egels zijn daarvan de zuigvoetjes te zien. Inwendig, onder het aaneengesloten kalkskelet, zijn ze telkens verbonden met een voetblaasje. Op de bultjes van het kalkskelet hebben stekels gestaan. Als je zo’n skelet tegen het licht bekijkt, zie je een reeks gaatjes: de openingen voor de zuigvoetjes. Je ziet de vorm van een zeester, waarvan de vijf opgerichte armen met de punt naar elkaar wijzen. Stekelhuidigen ‘vullen’ vijf klassen: zeesterren, slangsterren, zee-egels, zeekomkommers en zeelelies. De eetbare zeeappel is een alleseter: hij eet algen en mosdiertjes. Soms zie je ze met hun zuigvoetjes tegen een ruit ‘plakken’. Let op de 5 tanden die in een kring staan. Een uitgeprepareerd kauwapparaat ziet er uit als een ouderwetse mijnlantaarn. Aristoteles heeft de werking van het kauwapparaat beschreven, daarom noemen we dat nog steeds ‘de lantaarn van Aristoteles’.

Van dichtbij kan je tussen de zuigvoetjes en stekels kleine ‘draadjes’ zien bewegen. Dat zijn minuscule tangetjes waarmee vuil van het stekelige oppervlak wordt verwijderd. Als er lege schelpen en andere rommel op een zee-egel plakken is dat opzettelijk: camouflage-gedrag.

 

Gevlekte gladde haai, kathaai en stekelrog: zie document over kraakbeenvissen a.u.b.

 

 

2  ‘Noordzee’ (met rotsen, dus meer Franse kust)

 

Ruit 4; 12 °C; ± 10 000 liter water. Naast de eetbare zeeappel vinden we hier vele ongewervelden terug. Zij vertegenwoordigen verschillende stammen van het dierenrijk. Prima voor systematiek!

 

De stam stekelhuidigen omvat de klassen zeesterren, slangsterren, zee-egels, zeekomkommers en zeelelies.

 

Gewone zeester (Asterias rubens); l’astérie ou l’étoile de mer commune; common starfisch; gemeiner Seestern.

 

 

 

Cosmopoliet die uitsluitend in zee leeft. Geelbruin tot roodbruin. De stompe stekels staan op inwendig gelegen kalkplaatjes. Bij ons meestal een diameter tot 10 cm (max. 50 cm!). Alle zeesterren zijn ro  vers die met hun zuigvoetjes de schelp van een tweekleppige opentrekken. Dan stulpen ze een deel van hun maag naar buiten waarmee ze het lichaam van het weekdier omsluiten. De enzymen van de zeester verlammen de prooi, waardoor de schelphelften wijdopen gaan staan. Als de prooi verteerd is, wordt het maagdeel terug naar binnen getrokken. Zeesterren kunnen grote schade aanrichten in mossel- en oesterkwekerijen.

Hoe werkt het watervaatstelsel?

Aan de rand van de centrale schijf is een lichter gekleurde vlek te zien: de zeefplaat, met vele gaatjes. Door die filterende madreporenplaat wordt zeewater via het steenkanaal en het ringkanaal verdeeld over de armkanalen. Die hebben een reeks zijkanaaltjes met voetblaasjes en zuigvoetjes. Als de voetblaasjes zich samentrekken, worden de zuigvoetjes uitgestoken. Minuscule spiergroepjes zorgen voor het vastzetten en loslaten van die voetjes. Dat is goed te zien als een zeester op een ruit zit.

Via de dunne wanden van het watervaatstelsel worden gassen uitgewisseld (O2 D CO2). Bij grotere zeesterren kun je op de rugzijde soms blaasjes zien uitsteken. Die kieuwblaasjes zorgen mee voor de ademhaling. 

en zeesterren gaan dicht bij elkaar liggen, zo wordt de kans op bevruchting in de zee groter. De larven maken ca. 3 weken deel uit van het zoöplankton. Daarna schakelen ze over op tweekleppigen.

 

IJszeester (Marthasterias glacialis); l’étoile (f.) de mer glaciaire ou étoile épineuse; spiny starfish; Eisseestern oder Warzenstern.

 

 

Rotsen en kademuren van de Noordkaap tot Zuid-Afrika. Zelden aan onze kust. Ze maken een stijve indruk. Bruingele armen met rijen korte grijsgroene stekels. Max. diameter: 80 cm.

 

Kleine slangster (Ophiura albida); l’ophiure blanche; small brittlestar; heller Schlangenstern.

 

 

 

Komt voor in de Atlantische Oceaan tot 400 m diep, ook in de Noordzee en de Oostzee.

Duidelijke afgebaken  de centrale schijf met vijf armen. Witachtig tot roze. De voetjes hebben geen zuigkracht. De armen worden rond de prooi gedraaid. Vijanden: kabeljauw, schol en schar.

 

Indeling van de stam van de neteldieren:

 

 

* = sterk irriterend voor de mens, in sommige gevallen zelfs dodelijk.

 

NB. Zesstraligen hebben voedingspoliepen met 6 vangarmen of een veelvoud van 6, bv. 24.

Achtstraligen hebben altijd voedingspoliepen met 8 vangarmen.

 

De stam van de neteldieren wordt gekenmerkt door het exclusief bezit van netelcellen. Bij huidcontact springt een netelcel open en wordt via een uitgestulpte neteldraad een verlammende stof ingespoten. Neteldraden raken niet altijd door onze huid; sommige soorten kwallen en zeeanemonen veroorzaken sterke irritatie. Nooit krabben en nooit wassen met zoet water is de boodschap: zo maak je de zaak alleen maar erger. Afspoelen met ammonia is soms goed, soms nadelig. Dat geldt ook voor het gebruik van azijn. Best neem je voor een dagje aan zee een goed afgesloten flesje olijfolie mee. De getroffen plek ruim overgieten met olijfolie, bestrooien met droog zand, enkele minuten laten inwerken en dan afwrijven met een schuin gehouden mes. Beter goed kijken en het dagje goed plannen: bij sterk landwaartse wind is de kans op gestrande kwallen het grootst. Zij horen bij het zoöplankton en worden door de wind naar het strand gedreven.

 

Domansduim (verouderd: doômansduim), of dodemansduim (Alcyonium digitatum); l’alcyon (m.) jaune; seafinger; Meerhand. (‘Dikke’ van Dale: domansduim, aquariumgidsen: dodemansduim.)

 

 

 

De naam verwijst naar het uitzicht van aangespoelde brokken van dat vlezige koraal. Met een beetje verbeelding zie je de gelijkenis met handresten van een drenkeling.

Domansduim vormt vlezige kolonies met vinger- of lobvormige vertakkingen, die wit, geel, oranjerood of zelfs purper gekleurd zijn. Inwendig worden de lobben gesteund door kalknaalden. De achtstralige voedingspoliepen zijn doorzichtig wit. Zij worden slechts uitgestoken tijdens voedingsbeurten.

Door wateropname vergroten ze hun volume. Dan pas kunnen ze poliepen ontplooien.

Met de netelcellen wordt dierlijk plankton verlamd en door de poliepen opgenomen. Inwendig hebben ze buispoliepen met trilhaargroeve: transportfunctie.

 

Paardenanemoon (Actinia equina); la tomate de mer ou l’actinie (f.) rouge; beadlet anemone; Pferdeaktinie oder Purperrose oder Erdbeerrose.

 

 

In de getijdenzone  van West-Europese rotskusten, ook op pieren en strekdammen. Bij eb trekken ze zich samen tot knobbels, waardoor het vochtverlies beperkt blijft. Als ze weer overspoeld worden door zeewater strekken ze de tentakels uit en pogen ze met netelcellen garnalen en visjes te harpoeneren. De prooien worden door de centrale mondopening naar binnen geduwd; de resten worden via dezelfde opening verwijderd. Volgroeide exemplaren kunnen tot ± 200 tentakels hebben. Elke tentakel is open aan het uiteinde. Via die opening kan zeewater weggepompt worden, zodat de zeeanemoon relatief snel kan krimpen als ze wordt belaagd door bot, schelvis, aal of zeesterren.

 

Aan de kraag van vnl. de roodbruine exemplaren zijn blauwe bolletjes te zien. Die bevatten krachtige netelcellen. Bij conflicten tussen soortgenoten bombarderen die elkaar met harpoentjes. Grote winnen doorgaans van kleintjes, rode en bruine variëteiten verjagen groene en gestreepte. Op die manier wordt concurrentie vermeden.

Paardenanemonen zijn van gescheiden geslacht. De zaadcellen komen in de ♀♀ terecht. De larven ontwikkelen zich in de ♀♀ tot kleine anemoontjes met zes tentakels. Die zwermen uit: levendbarend! Tijdens de groei ontwikkelen ze bijkomende kringen tentakels.

 

Wasroos (Anemonia sulcata); l’anémone de mer verte; snakelocks anemone; Wachsrose.

 

 

Komt overwegend voor in de Middellandse zee, toch ook in de Atlantische Oceaan en aan onze kust. Op rotsblokken en strekdammen onder de laagwaterlijn. Dat is noodzakelijk, want de wasroos kan de tentakels slechts beperkt samentrekken. Ze zou dus uitdrogen bij eb. Toch mogen ze niet te  diep staan, want hun diverse kleuren worden veroorzaakt door symbiontische algen en die zouden sterven bij lichtgebrek.

Net zoals paardenanemonen zijn wasrozen prooivangers. Ze netelen visjes, kleine kreeftachtigen en weekdieren. Bij het voederen moet de prooi aangeboden worden, zodat de zeeanemoon zelf actief de prooi kan aannemen. Als men de prooi in de anemoon zou proppen, zou dat ernstige schade kunnen veroorzaken.

 

Predatoren: zeesterren, naaktslakken, zeespinnen, bot, schelvis en aal. De netelcellen van wasrozen zijn sterk irriterend voor mensen. Ze veroorzaken brandende pijn en huidontsteking. De tentakels breken makkelijk af en blijven dan op de huid kleven. Ze bevatten nog talrijke netelcellen, die nog niet geactiveerd zijn. Die tentakels moeten voorzichtig worden verwijderd in zeewater. In zoet water zouden de resterende netelcellen ‘ontploffen’ en bijkomende irritatie opwekken. Voor de wasroos wordt afspoelen met azijn wel aanbevolen.  

 

Heremietanemoon (Calliactis parasitica); l’anémone solitaire; hermitcrab anemone; Einsiedler-Seerose oder Schmarotzerrose.

 

 

Symbiose van anemoon en heremietkreeft. De wetenschappelijke soortnaam sugereert dat er sprake is van parasitisme, maar het is eerder mutualisme. De anemoon biedt bescherming en profiteert zelf van voedselresten. Soms probeert ze levende krabben te verschalken; krabben jagen soms ook op zeeanemonen.

 

Gewone heremietkreeft (Pagurus bernhardus); le bernard-l’(h)ermite commun; common hermit crab; Bernhardskrebs.

 

 

Een vertegenwoordiger van weer een andere stam: de geleedpotige dieren. Die hebben een uitwendig sk  elet (exoskelet) dat chitine bevat. Het skelet en de aanhangsels zijn geleed, waardoor bewegingen mogelijk zijn.

Klassen: schaaldieren (waterdieren met 1 uitzondering: de pissebedden), insecten (samen met vogels en vleermuizen de enige dieren die actief kunnen vliegen), spinachtigen, duizendpoten, miljoenpoten.

 

Heremietkreeften bergen hun naakt achterlijf liefst op in een lege schelp van tepelhoorn of wulk. Als die schelp te klein wordt gaan ze op zoek naar een grotere. Ze verplaatsen zich met looppoten 2 en 3. Bij gevaar trekken ze zich helemaal in hun huisje terug, terwijl de grote rechterschaar de opening afsluit.

Heremietkreeften zijn afvaleters die commensaal kunnen leven met zeeduizendpoten.

 

De stam van de weekdieren heeft als belangrijkste klassen de tweekleppigen, de slakken en de koppotigen.

Tweekleppigen (bv. mosselen en kokkels) leven altijd in zoet, brak of zout water.

Slakken kunnen zeedieren zijn (bv. de wulk), zoetwaterdieren (bv. het posthoorntje) of landdieren (bv. de wijngaardslak).

Koppotigen (bv. de octopus en nautilus) zijn altijd zeebewoners.   

 

Wulk (Buccinum undatum); le buccin; common whelk; gemeine Wellhornschnecke.

 

 

 

Een grote kieuwslak die algemeen voorkomt in het noorden van de Atlantische 0ceaan, de Noordzee en het Kanaal. Ze is goed bestand tegen zoutverdunningen in estuaria. Zo komt ze plaatselijk massaal voor in de Oosterschelde, dichtbij ‘parken’ van oesters en mosselen.

Ze leeft hoofdzakelijk op  slijk- en zandbodems tot 100 m diep. Ze graaft zich gedeeltelijk in, maar de opening van de adembuis (sifo) blijft altijd vrij. Via de sifo neemt ze zuurstofrijk water op voor haar bladvormige kieuw en geurstoffen voor haar reukorgaan. Op rotsen (en aquariumruiten) zuigt de wulk zich vast met haar gespierde voet. Als ze door de branding wordt losgeslagen, kan ze enkele uren op het droge in leven blijven, dankzij het monddeksel (operculum). Dat hoornig plaatje sluit echter niet volledig de schelpmond af, zodat ze niet echt een slak van de getijdenzone is.

 

Een slurfvormig monddeel (proboscis) wordt tussen de geledingen van dode schaaldieren gewrongen, waarna de rasptong (radula) uit de proboscis schuift en stukjes vlees afscheurt. Oud aas wordt niet gegeten. De wulk is ook een rover. Vissen worden aangeboord als ze in een net gevangen zitten. Bij gapende kokkels duwt ze haar schelprand tussen de twee kleppen; daarna dringt de proboscis naar binnen en begint de radula haar sloperswerk. Bij oesters en mosselen zou de wulk minder kans maken, hoewel de vindplaatsen in de Oosterschelde dat tegenspreken. In ieder geval is de rand van veel wulkenschelpen beschadigd: breekwerk laat nu eenmaal sporen na.

Schelpen worden nooit aangeboord, daarvoor is de radula niet geschikt. Zelf wordt de wulk gegeten door kabeljauwen, roggen en hondshaaien. Onderschat ook de consumptie door de mens niet!

 

Wulken zijn van gescheiden geslacht. De penis van de ♂♂ kan even lang zijn als hun lichaam. Ze stulpen die penis uit en brengen de penispapil tot bij de geslachtsopening van het ; de kans op bevruchting is dus erg groot.

Een produceert tot 2 000 eikapsels (Æ ± 12 mm). ♀♀ voegen hun kapsels samen tot klompjes van ca. 15 000 stuks en verankeren die aan een vaste ondergrond. Na een storm kan je die bleekgele eikapsels vinden langs de vloedlijn. Vissers op tong en andere bodemvis treffen geregeld in hun netten eikapsels van wulken aan. Ze gebruiken die als ‘spons’ om hun handen schoon te vegen.

Per eikapsel komen slechts 10 tot 20 slakjes tot ontwikkeling (een gemiddelde van 1 %). Alle andere eitjes worden door die slakjes opgegeten – ongeveer 100 eitjes per slakje – en worden daarom ‘voedingseieren’ genoemd. Na 2 maanden doorboort het slakje de kapselwand en begint de zoektocht naar vers aas.

 

Gele boorspons (Cliona celata); la clione jaune; yellow boring sponge; gelber Bohrschwamm.

 

 

Eén van  de weinige sponssoorten die aan onze kust voorkomen. In de waddenzee komen ze veel voor; daar worden ze als plaagdier beschouwd door de oesterkwekers. Ze filteren voedsel uit het water en zijn dus concurrenten. Ze boren gaatjes in de kalkschelp van dode ... maar ook van levende oesters.

Oudere dieren vergroeien tot gelobde of korstvormige massa’s (enkele cm dik). Aan de oppervlakte zijn ze zwavelgeel tot roodoranje gekleurd met oranjegele papillen.

Hun buitenlaag bestaat uit dekweefselcellen met openingen: piepkleine instroomopeningen en grotere uitstroomopeningen. Binnenin bestaan ze uit een netwerk van buizen, waarvan de wand bezet is met kraagcellen met telkens een zweephaar. Soms zijn die gegroepeerd in geselkamers. Hoewel sponsen geen zenuwcellen hebben, slaan de zweepharen gecoördineerd.

Kraagcellen zijn specifiek voor sponsen; ze komen nooit bij andere dieren voor. Die cellen zorgen voor het watertransport binnen de spons en nemen voedseldeeltjes op: detritus, bacteriën, eencelligen, wiertjes. Ook nemen ze O2 op uit het water en geven ze CO2 af.

In de geleiachtige tussenruimte verplaatsen zich amoeboïde cellen. Zij zijn de ‘transportkarretjes’ van voedseldeeltjes, afval, O2 en CO2 naar en van alle cellen van de spons.

 

De stam van de sponsen omvat de eenvoudigste meercellige organismen. Voor zover men weet is er geen enkele andere, hoger ontwikkelde diergroep uit ontstaan. Onlangs werd gepubliceerd (Nature, 05.02.2009) dat de oudste bekende dieren sponsen moeten zijn geweest, die minstens 635 miljoen jaar geleden voorkwamen in ijskoud zeewater.

 Boorsponsen bevatten kiezelnaalden met steunfunctie. Andere sponsen hebben een ‘kalknaalden-skelet’. De badspons hoort bij de hoornsponsen; hun skelet bestaat uit spongine.

 

Pitvis (Callionymus lyra); le dragonnet lyre; dragonet; gestreifter Leierfisch.

 

Oostelijke Atlantische Oceaan, Middellandse Zee en Oostzee.

Bodemvis. Geen zwemblaas en geen schubben. Het (≤ 30 cm) heeft een lange eerste rugvin, de tweede is blauwgestreept. Het wordt niet groter dan 20 cm.

 

Botervis (Pholis gunnellus); la gonnelle ou le papillon de mer; rock gunnel or butterfish; Butterfisch.

 

 

Oostelijke Atlantische Oceaan. Leeft in de getijdenzone en jaagt op bodem-ongewervelden.

Heeft ± 12 zwa  rte, witomrande vlekken. De rugvin loopt over de hele rug. Wordt niet groter dan 25 cm.

 

Driedoornige stekelbaars (Gasterosteus aculeatus); l’épinoche (f.) à trois épines; three-spined stickleback; dreistachliger Stichling.

 

 

Komt zowel  voor in zee, als in brak en zoet water. De zeebewoners hebben meer beenplaten. Het maakt een nest van plantendelen, maar nooit in snelstromend water. Eet weekdieren, kreeftachtigen, insectenlarven en viskuit. (In het deel “Gedrag” van B. Grzimek staat uitvoerige informatie.)

Kan tegen relatief sterk vervuild water.

De enige stekelbaars in dit aquarium is nu dood. Mogelijk komen er nieuwe. De visjes die je nu ziet rondzwemmen zijn jonge harders.

 

3  ‘Noordzee’ (met zandbodem, dus meer aan onze kust)

 

Ruit 5; 12 °C; ± 10 000 liter water.

 

Voor informatie over schol, rode poon en gewone zeester: § 2.

 

Tong (Solea sol  ea); la sole ordinaire; common sole; gemeine Seezunge.

Leeft op zand- en slikbodems van de oostelijke Atlantische Oceaan, Noordzee en Middellandse Zee.

De Waddenzee is een belangrijke ‘kinderkamer’.

Jaagt ’s nachts op wormen, kreeftachtigen en dunschalige schelpdieren (sterk  ontwikkelde tastzin). De ogenzijde (rechterflank) is onregelmatig donker gevlekt of gemarmerd. De ligzijde is wit.

Afgeronde snuit en ovaalvormig lichaam.

 

 

 

Grauwe poon (Eutrigla gurnardus); le grondin gris; grey gurnard; grauer Knurrhahn.

 

 

Oostkust van de Atlantische Oceaan, Noordzee, Middellandse Zee en Zwarte Zee.

Leeft op zachte of gemengde bodems in kleine scholen tussen 1à e  n 150 m diep. Zwemt ’s nachts vrij rond. De larven eten zoöplankton en schakelen later over op ongewervelden en kleine vissen.

De grauwe poon is kleiner dan de rode. Hij heeft grote schubben op de zijlijn, terwijl de rode poon daar glad is. Wordt verkocht als bijvangst, maar is minder gegeerd dan de rode poon, die vast wit vlees heeft.

 

Wijting (Merlangius merlangus); le merlan; whiting; Wittling.

 

 

 

Noordoostelijke Atlantische Oceaan + Middellandse Zee.

In kustwater jagen ze met hun puntige tanden nabij de bodem op garnalen, later hoofdzakelijk op jonge vissen. Max. 70 cm. > .

Specifiek gedrag: de larven zoeken dikwijls bescherming tussen de neteldraden van een kwal.

Net zoals o.a. kabeljauw, blauwe wijting, schelvis en pollak hebben ze 3 rugvinnen met zachte vinstralen. Soortkenmerk: een zwarte vlek bij de borstvinbasis.

 

Blauwe wijting (Micromesistius poutassou); le poutassou; Couch’s whiting; blauwer Wittling).

 

 

De vissoort hoort bij een ander geslacht en zwemt niet rond in onze aquaria. Blauwe wijting is echter zeer belangrijk voor de zoo: wordt o.a. gevoederd aan pinguïns en piranha’s, omdat hij een zeer laag vetgehalte heeft. Hij heeft een blauwachtig glanzend lichaam en grote ogen. Leeft in grote scholen en is een planktoneter die zijn voedsel volgt: overdag in de diepte en ’s nachts aan de oppervlakte.

Wordt meestal verwerkt tot vismeel.

 

Harnasmannetje (Agonus cataphractus); la souris de mer; hooknose or armed bullhead; Steinpicker.

 

 

Noordoostelijke Atlantische Oceaan.

Jaagt op de  zachte bodem van getijdenpoelen op kreeftachtigen. Wordt niet groter dan 20 cm.

Bedekt met harde beenplaten. In het voorjaar legt het 2500-3000 eitjes tussen bruinwieren. De eiontwikkeling duurt uitzonderlijk lang (10-11 maanden). Tot ze 20 mm lang zijn leven ze in volle zee.

 

De mooie rode ‘kruikjes’ zijn zakpijpen, geen sponsen. Via de bovenste opening wordt zuurstofrijk water samen met voedseldeeltjes (eencelligen, wiertjes, detritus) naar binnen gezogen. Daar gebeurt de filtering in een zakvormige kieuwdarm. In de wand van de kieuwdarm liggen bloedvaatjes, die O2 uit het water opnemen en CO2 afgeven. Via de kleinere opening aan de zijkant wordt het water terug uitgestoten.

Zakpijpen horen bij de manteldieren. Die hebben in hun larvestadium een chorda, een vezelig, soepel staafje bindweefsel, dat niets met been of kraakbeen te maken heeft.

Zo’n staafje komt ook voor bij de lancetvisjes; bij hen gaat de chorda een leven lang mee. Een schedelstructuur komt nooit voor: lancetvisjes horen bij de schedellozen. Die hebben een zenuwstreng die boven de chorda ligt. Larven van manteldieren hebben ook zo’n streng, maar die verdwijnt later.

De embryo’s van alle gewervelde dieren hebben in een vroeg stadium een chorda. Bij hen wordt ze vervangen door een wervelkolom van kraakbeen en been. Het voorste deel van de rugzenuwstreng wordt omgevormd tot hersenen, beschermd door een schedel.

Schedellozen, manteldieren en gewervelde dieren zijn chordadieren.

                                                                            

Stam chordadieren

·                                  onderstam manteldieren, bv. Zakpijpen

·                                  onderstam schedellozen, bv. lancetvisje

·                                  onderstam gewervelde dieren, bv. vissen, amfibieën ...

  

 

Voor hondshaai en sidderrog: zie document over kraakbeenvissen a.u.b. Er zit wel degelijk een sidderrog in dit aquarium. Met wat geluk zie je de cirkelvormige lichaamsschijf. Zoek in ieder geval naar de ogen en naar de opstaande staartvin.

 

Informatiebronnen

 

de Ruyter E. & Schoenmaker A., 1989. Zeeboek. Jeugdbondsuitgeverij + KNNV, Utrecht.

De Wolf P. (red.), 1990. De Noordzee. Terra, Zutphen.

Dipper F. et al., 1991. Vissen en andere waterdieren van West- en Midden-Europa. Reader’s Digest, Amsterdam/Brussel.

Grzimek B. et al., 1978. Het leven der dieren, encyclopedie van het dierenrijk. Het Spectrum, Utrecht/Antwerpen. (Verouderd op gebied van systematiek.)

Mebs D., 2000. Gifttiere, ein Handbuch für Biologen, Toxikologen, Ärzte und Apotheker. Wisschenschaftliche Verlagsgesellschaft mbH, Stuttgart.

Muus Bent J. et al., 1999. Zeevissen van Noord- en West-Europa.Schuyt & Co, Haarlem.

Nierenberg W. et al., 1990. De Oceanen. Atrium, Alphen aan den Rijn.

Verschuuren G. et al.,1985. Grondslagen van de biologie, deel 3 Populaties.Stenfert Kroese, Leiden/Antwerpen.

http://www.fishbase.org (wetenschappelijke naam van de vis geven, geeft ook synoniemen).

http://www.vob-ond.be (dan verder gaan naar “nieuw(s)”.

http://tolweb.org/cnidaria (betrouwbare informatie over de classificatie van neteldieren)

http://www.ucmp.berkeley.edu/cnidaria/cnidaria.html (van de universiteit van Berkeley)

http://en.wikipedia.org/wiki/Cnidaria (goed)

http://www.bioplek.org/1klas/1klas_indeling/dierenrijk_overz.html (Staat bij Google vooraan in hun lijst, oogt aantrekkelijk en is makkelijk om het hele dierenrijk te overlopen ... maar de algemene kenmerken en de classificatie komen niet altijd overeen met de voorgaande sites. Wel interessant voor informatie over families en geslachten. Mooie foto’s.)

 

 

Met dank aan het aquariumteam, Walter Peleman en Vic Rasquin (secretaris van VOB).

 

 

 

Frans Desfossés,

zoo-gids

februari 2010